In 1950, tijdens een lunch in het Los Alamos National Laboratory, flapte natuurkundige Enrico Fermi - een van de architecten van het Manhattan Project, dus geen onbekende met grote vragen - eruit: "Waar is iedereen?" (of, zoals een andere aanwezige zich herinnerde: "Vraag je je nooit af waar iedereen is?"). De vraag ging niet over het publiek in de kantine; het ging over de kosmos. Als buitenaardse wezens bestaan, waarom zijn we ze dan nog niet tegengekomen? Dat moment veranderde buitenaards leven van een onderwerp voor filosofisch gekrabbel in een serieus wetenschappelijk raadsel.

Eeuwenlang vroeg de mensheid zich af of er leven op de maan of Mars was, maar accepteerde dat we het nooit zeker zouden weten - omdat, je weet wel, interstellaire reizen niet bepaald in de brochure stonden. Tegen de jaren vijftig begonnen die grenzen minder op muren en meer op verkeersdrempels te lijken. Ruimtevluchten waren in zicht, en onderzoekers waren al aan het knutselen met manieren om radiosignalen op te vangen van sterren lichtjaren verderop. De technologie stond in de kinderschoenen, maar de boodschap was duidelijk: de mensheid was niet langer permanent aan de aarde gekluisterd. Dus, waar is iedereen? De stilte blijft, maar we luisteren tenminste met betere apparatuur.