In 2017 reisden fotograaf Dan Nelken en zijn vrouw, Adele Brown, naar Gulu, Oeganda, waar Brown drie weken lang kritische denkvaardigheden doceerde aan blinde middelbare scholieren bij een NGO. Nelken ging mee om het werk van de organisatie te documenteren, maar raakte al snel geobsedeerd door de belangrijkste markt van de stad - je weet wel, zo'n plek waar je tweedehands kleding, fruit en brandhout kunt kopen, en ook nog eens per ongeluk in een kunstproject terechtkomt.

Om portretten van de verkopers te maken, schakelde Nelken de hulp in van een student genaamd Emmanuel (Emma), die potentiële onderwerpen benaderde, hun toestemming vroeg en een bescheiden 'modelvergoeding' onderhandelde. Want niets zegt 'respectvolle artistieke praktijk' zoals iemand betalen voor hun tijd, in plaats van de traditionele aanpak van gewoon een camera richten en het beste hopen.

Een van de onderwerpen was Janet, een steengroevewerkster die al tien jaar stenen op haar hoofd sjouwde. Ze had acht kinderen, en haar man - een boda-boda-taxichauffeur die een been had verloren - kon niet werken. 'Ik ben nu de man in dit huis,' vertelde ze aan Nelken, wat een diep ontroerende zin is die waarschijnlijk meer verdient dan een foto.

Ondanks het zorgvuldige proces keerde Nelken terug naar New York en was teleurgesteld over de resultaten. Zoals zoveel 'goedbedoelde projecten' dacht hij dat het daarbij bleef. Want niets zegt 'artistieke integriteit' zoals je werk opgeven omdat het niet Instagram-waardig bleek te zijn, zelfs als de onderwerpen letterlijk tien jaar lang stenen op hun hoofd hebben gedragen.