M John Harrisons proza heeft deze recensent al sinds de adolescentie in vervoering gebracht, en ook Angela Carter, Deborah Levy en Robert Macfarlane – maar blijkbaar niet genoeg om het genre-snobisme over de sciencefiction- en fantasy-zandbakken waar hij al decennia in speelt te overwinnen. Zijn roman Climbers uit 1989, een strikt realistisch werk, leek erop te wijzen dat hij eindelijk wat mainstream respect zou krijgen, maar Harrison zijnde Harrison, is hij sindsdien genre-vloeiend en compromisloos eigenzinnig gebleven.
In de jaren '70 en '80 schreef hij over Viriconium, een legendarische stad die vervalt in decadentie en anarchie – een zwierige maar sinistere ontsnappingsluik voor lezers die de voorkeur gaven aan een verre nachtmerrie boven de dagelijkse sleur. Maar hier in de 21e eeuw is de werkelijkheid zo fantastisch geworden dat Harrison geen fictieve dystopieën meer hoeft te verzinnen; zijn anarchistische, uiteengevallen metropool is nu Londen, en zijn nieuwe roman The End of Everything speelt zich af in een naamloze stad aan de kust van Kent. Het boek biedt een somber maar briljant verhaal van raadselachtige buitenaardse entiteiten en langzame sociale ineenstorting, en legt de angstaanjagende onzekerheid van het leven op dit moment bloot – want blijkbaar zijn zelfs onze fictieve apocalypsen gedegradeerd tot lokaal nieuws.