Laten we eerlijk zijn: wanneer een nieuw boek van David Sedaris uitkomt, slaakt een bepaald segment lezers een kleine, schuldige zucht. Niet omdat ze er niet van zullen genieten, maar omdat ze precies weten waar ze aan toe zijn - anekdotes over mensen die hun voeten op meubels leggen en andere kleine overtredingen die op de een of andere manier komisch goud worden. The Land and Its People, Sedaris' tiende essaybundel (sommige eerder in de New Yorker), leunt zwaar op de chagrijnigheid, en de criticus geeft toe dat de routine wat dunner aanvoelt dan voorheen. Na negen delen zou de bron van bruikbaar memoiresmateriaal toch droog moeten staan?

Fout, blijkbaar. Er is nog genoeg goeds, naast passages die een redacteur zou hebben aangestreept - als Sedaris, die meer dan 16 miljoen boeken heeft verkocht, nog steeds notities van redacteuren aannam. De recensie roept een prachtige J.K. Rowling-analogie op: sommige zinnen doen je een redacteur voorstellen die het nummer van de auteur begint te draaien, en dan langzaam de hoorn neerlegt. Voor superfans werkt de formule prima. Voor de minder toegewijden is het lezen van Sedaris nu een haperiger ervaring - nog steeds grappig, maar met meer ruis tussen de lachbuien.